Tweetalige printerversie Eentalige printerversie

Schriftelijke vraag nr. 5-9019

van Zakia Khattabi (Ecolo) d.d. 13 mei 2013

aan de minister van Justitie

De gerechtelijke samenwerking tussen BelgiŽ en Turkije

justitiŽle samenwerking
Turkije
rechten van de mens
uitlevering
terrorisme
bilaterale overeenkomst

Chronologie

13/5/2013 Verzending vraag
18/6/2013 Antwoord

Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-3461

Vraag nr. 5-9019 d.d. 13 mei 2013 : (Vraag gesteld in het Frans)

Op 22 januari jongstleden heeft de minister een akkoord gesloten met haar collega-minister van Justitie in Turkije. Dat akkoord beoogt een verbetering van de gerechtelijke samenwerking tussen BelgiŽ en Turkije inzake de strijd tegen het terrorisme.

Het akkoord roept verschillende bedenkingen op.

1) het sluiten van akkoorden op gerechtelijk vlak met een Staat veronderstelt dat men vertrouwen heeft in diens politioneel en gerechtelijk systeem. Verschillende internationale rapporten onderstrepen de schendingen van de mensenrechten tegen Koerdische opposanten in Turkije, in het bijzonder in naam van de strijd tegen het terrorisme.

Hoe kan BelgiŽ samenwerken met Turkije door zijn akkoord te geven aan een vraag tot uitlevering van een politieke opposant (die door de Turkse staat uiteraard als terrorist zal worden bestempeld)?

2) Uit de bewoordingen van het akkoord zelf blijkt dat het niet is onderworpen aan het internationale recht.

Het statuut van dat akkoord is vreemd aangezien het evenmin een wetgevende of administratieve beslissing lijkt te zijn die aan het oordeel van de Raad van State is onderworpen.

Ik heb het bestaan van dat akkoord via de pers vernomen. De regering achtte het niet nuttig het parlement te consulteren alvorens het akkoord te sluiten.

Wat is het statuut van dat akkoord en waarom achtte de regering het niet opportuun het aan het parlement voor te leggen?

3) In het akkoord is er sprake van ďde bestaande samenwerking tussen beide landen te versterkenĒ. Dat veronderstelt dat er al een samenwerking bestaat. Op welke basis?

4) Hoe zal het akkoord concreet in werking worden gesteld?

5) In punt 2 is er sprake van uitwisselingen ďduring ongoing legal assistance procedureĒ. Wat betekent dat?

6) Hoe zal het geheim van het onderzoek van de Belgische rechters en politieagenten tegenover de Turkse politiediensten worden opgevat?

7) Bestaan er op dit moment circulaires of andere instructies aan de politie of de justitie op het vlak van de strijd tegen het terrorisme die betrekking hebben op personen die voor terrorisme worden vervolgd door de Turkse autoriteiten?

8) Heeft het akkoord ook betrekking op onderzoeksrechters of procureurs? Zo ja, zouden die magistraten kunnen weigeren inlichtingen te geven?

9) Kan de advocaat van in BelgiŽ vervolgde personen kennis hebben van de uitwisseling van informatie over die personen met de Turkse Staat?

10) Heeft BelgiŽ controle over wat de Turkse diensten doen met de inlichtingen die de Belgische Staat verschaft? (bijvoorbeeld, als blijkt dat de familie van mensen die worden vervolgd voor de Belgische rechtbanken, in Turkije wordt vervolgd wegens informatie verschaft door BelgiŽ)

11) Heeft het parlement of een andere instantie een controlemiddel over de uitwisseling van informatie?

12) Wie is aanwezig tijdens de workshops en meetings? Bestaat dat soort workshops al op basis van bestaande akkoorden? Hoe vaak vinden ze plaats?

Antwoord ontvangen op 18 juni 2013 :

1) Het gaat helemaal niet om een “akkoord” in de juridische zin, maar om een “joint declaration”, te weten een “gemeenschappelijke verklaring” die geen bindende kracht heeft zoals een “akkoord” of een 'verdrag' in de eigenlijke zin. Het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (1969) is dus niet van toepassing op deze verklaring.

Uw bezorgdheid stemt niet meer overeen met de huidige toestand in Turkije op het vlak van justitie en politie. Zoals u weet, hebben de PKK en de Turkse staat een vredesakkoord gesloten waarmee een einde werd gemaakt aan de vijandelijkheden.

De voorbije negen jaar heeft Turkije verscheidene wetgevende en institutionele maatregelen genomen die onder meer hebben geleid tot de afschaffing van de doodstraf en de uitzonderingsrechtbanken 'voor de staatsveiligheid'. Sinds 2005 is een nieuw Strafwetboek van kracht, waarin de straffen voor de meeste strafbare feiten werden beperkt. Er werd ook een nieuw Wetboek van Strafvordering ingevoerd als gevolg waarvan alle veroordelingen uitgesproken op grond van oude wetten herzien moeten worden overeenkomstig de strafwet van 2005, waardoor minder hoge straffen met terugwerkende kracht op strikte wijze worden toegepast. Sinds dit jaar werd een vierde hervormingsfase aangevat teneinde de burgerrechtelijke en strafrechtelijke wetgeving aan te passen aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en aan de rechtspraak van het EHRM. Bovendien maken terroristische misdrijven krachtens de internationale (VN, Raad van Europa en andere) en nationale normen deel uit van het gemeen strafrecht.

2) De term 'gemeenschappelijke verklaring' geeft al aan dat die niet aan het internationaal recht onderworpen is. Zoals hierboven al werd vermeld, gaat het om een verklaring die uiting geeft aan de wederzijdse bereidheid om de samenwerking te versterken via louter praktische maatregelen die passen binnen het verdragsrechtelijke en wetgevende kader dat de samenwerking beheert. Ik verwijs inzonderheid naar de verdragen van de Raad van Europa waarvan Turkije deel uitmaakt. De verklaring wijzigt dat kader geenszins.

Gelet op het statuut van deze verklaring, die geen normatief karakter heeft en bijgevolg ook geen gevolgen heeft voor de Belgische of Turkse wetgeving, werd deze verklaring niet voorgelegd aan het parlement.

3) De samenwerking is en blijft gebaseerd op de verdragen van de Raad van Europa ondertekend en bekrachtigd door België, Turkije en tal van andere lidstaten van de Raad van Europa. Het gaat inzonderheid om het Verdrag van 13 december 1957 betreffende uitlevering (in 1997 door België bekrachtigd, na de afschaffing van de doodstraf in 1996) en het Verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken. België en Turkije onderhouden al verscheidene jaren een nauwe en uiteraard wederzijdse samenwerking inzake strafzaken.

4) De inwerkingtreding zal verlopen zoals vermeld in de gemeenschappelijke verklaring: via de respectieve departementen (ministeries) van Justitie.

5) Punt 2 betreft in feite de communicatie tijdens een hangende - en dus reeds ingestelde - uitleveringsprocedure of procedure van wederzijdse rechtshulp. Met het oog op een meer doeltreffende samenwerking werd de klemtoon gelegd op de rechtstreekse communicatie tussen de ministeries van Justitie. De diplomatieke weg biedt geen enkele meerwaarde voor een eenvoudig verzoek om aanvullende informatie.

6) Het onderzoeksgeheim van de Belgische rechters en politiemensen heeft uiteraard een Turkse tegenhanger. Het gaat om de justitiële samenwerking in strafzaken, die door de geldende verdragen gedekt blijft. Dat is het verdragsrechtelijk kader dat de belangen van de verdachten en de veroordeelde personen beschermt.

7) Er zijn algemene circulaires inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken en uitlevering. Er zijn dus geen circulaires 'voor elk land apart'. De samenwerking met een bepaald land verschilt dus in wezen niet van de samenwerking met een ander land, inzonderheid indien die samenwerking gebaseerd is op hetzelfde verdrag van de Raad van Europa. Hierbij benadruk ik nogmaals dat terrorisme wordt beschouwd als zware gemeenrechtelijke criminaliteit. Ik verwijs daarvoor opnieuw naar de internationale normen ter zake.

8) De samenwerking tussen de rechterlijke autoriteiten hangt af van het nationale stelsel van elke staat. Voor België is een onderzoeksrechter bevoegd om verzoeken om wederzijdse rechtshulp aan een ander land op te stellen. Op het niveau van de Raad van Europa moet de overzending in beginsel plaatsvinden tussen de aangewezen centrale autoriteiten - voor de meeste lidstaten gaat het om de diensten van hun respectieve ministeries van Justitie. Omgekeerd wordt een verzoek om wederzijdse rechtshulp in beginsel uitgevoerd op grond van de wet van de aangezochte staat. Indien bijvoorbeeld Turkije dwangmaatregelen wil verkrijgen, moet het Belgische parket de zaak aanhangig maken bij een onderzoeksrechter. Wederzijdse rechtshulp is in beginsel verplicht, behalve indien niet is voldaan aan de voorwaarden om over te gaan tot onderzoek. De aangezochte staat kan de uitvoering van een verzoek ook uitstellen of zelfs weigeren indien nationale belangen verhinderen dat bewijsmateriaal dat voor diens eigen onderzoek moet dienen, wordt verstrekt. Nogmaals: de gemeenschappelijke verklaring zal geenszins de beginselen en regels van de geldende verdragen wijzigen.

9) Een verzoek om wederzijdse rechtshulp of een verzoek om uitlevering maakt deel uit van een dossier dat uiteraard openstaat voor verweer volgens de geldende procedure. De extra informatie die wordt overgezonden op basis van onze regeling sluit aan bij het verdragsrechtelijke proces.

10) De verklaring valt helemaal niet buiten de justitiële samenwerking op grond van de internationale instrumenten, integendeel zelfs. Het verstrekte bewijsmateriaal kan bijgevolg uitsluitend worden gebruikt in het kader van het onderzoek dat of de vervolging die aan de basis ligt van het onderzoek.

11) Er is geen zogenaamde 'uitwisseling van informatie': het gaat om een bevordering van de louter justitiële samenwerking die in het kader van de bestaande verdragen past.

12) Dit praktische middel ter verbetering van de samenwerking beoogt inzonderheid de centrale autoriteiten en de magistraten die behoefte hebben aan deskundigheid op het vlak van wederzijdse rechtshulp in strafzaken. De eerste fase van de samenwerking is de - wederzijdse - kennis van de rechtsstelsels en de gerechtelijke organen. Enige (zij het elementaire) kennis van het rechtsstelsel van de partnerstaat voorkomt tal van misverstanden en is essentieel om tot een doeltreffende samenwerking te komen.